De medewerker toetst de visie aan het dagelijks handelen met de bewoner/cliënt.
De medewerker brengt zijn eigen waarden en normen in kaart en toetst die aan de visie.
De medewerker kan de visie naar de doelgroep vertalen.
De medewerker bevraagt de visie van de organisatie.
De medewerker kan een visie ontwikkelen voor een deelaspect van de werking.
De medewerker kan een visie vertalen naar teamleden, stagiairs, familie en vrijwilligers.
De medewerker kan een schermstructuur van de bewoner/cliënt opmaken.
De medewerker kan een dagstructuur opmaken en hanteren voor de (leef)groep.
De medewerker zorgt voor de infrastructuur en voor het materiaal dat hem is toevertrouwd.
De medewerker weet wat er van hem verwacht wordt.
De medewerker weet waar hij hulp kan of moet vragen.
De medewerker gaat kritisch om met de grenzen van zijn functie.
De medewerker kan info doorgeven aan bewoners/cliënten en relevante derden op een voor hen begrijpelijke wijze.
De medewerker kan overleg met de bewoners/cliënten organiseren.
De medewerker kent de systemen van de andere diensten.
De medewerker kan werken met een vraaggestuurd uurrooster.
De medewerker kan een overleg leiden en een verslag maken.
De medewerker kent de kwaliteitsprocedures en werkvoorschriften en past ze ook toe.
De medewerker kan samen met de bewoner/cliënt een levensplan opmaken.
De medewerker kan activiteiten plannen, uitvoeren en evalueren.
De medewerker participeert aan de uitbouw van (leef)groepoverschrijdende werkgroepen.
De medewerker kan zijn eigen kwaliteiten en valkuilen in kaart brengen en stippelt op basis van deze analyses een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) uit.
De medewerker kan een aantal teamtaken opnemen.
De medewerker heeft zicht op de strategische keuzes van de organisatie.
De medewerker kan een leerproces bij de bewoner/cliënt activeren.
De medewerker kan een leerproces bij de leefgroep of een werkgroep activeren.
De medewerker zoekt een aantal vormingsinitiatieven voor bewoners/cliënten in de omgeving van de organisatie.
De medewerker kan zijn eigen leerproces situeren binnen zijn leerrekening.
De medewerker kan participeren aan teamprocessen.
De medewerker kan als referentiepersoon fungeren naar andere collega's.
De medewerker heeft zicht op de sterktes en zwaktes van zijn begeleidingsstijl.
De medewerker kan de bewoner/cliënt sturen en coachen waar nodig.
De medewerker kan de bewoner/cliënt inspireren, boeien en uitdagen.
De medewerker kan omgaan met het leiderschap van een ander teamlid.
De medewerker kan binnen het team zijn leiderschap opnemen.
De medewerker kan omgaan met '(te)veel'.
De medewerker kan zijn aandacht verdelen over alle bewoners/cliënten.
De medewerker kan conflicten binnen de (leef)groep oplossen.
De medewerker kan een evenwicht creëren tussen individuele belangen, groeps- en organisatiebelangen.
De medewerker kan binnen het team op de voorgrond en achtergrond fungeren.
De medewerker kan omgaan met de diversiteit van de teamleden.
De medewerker kan op diplomatieke wijze omgaan met de verschillende machtsrelaties binnen de organisatie.
De medewerker kan vlot contact maken met bewoners/cliënten.
De medewerker kan een (leef)groepklimaat creëren.
De medewerker kan selectief omgaan met informatie naar de context toe
De medewerker kan feedback geven en krijgen.
De medewerker kan moeilijke thema's in het team bespreekbaar maken.
De medewerker creëert een klimaat van gepaste communicatie over de grenzen van het team heen.
De medewerker kan nieuwe bewoners/cliënten verbinden en kan afscheid nemen.
De medewerker kan groepsdynamische processen in de (leef)groep begeleiden.
De medewerker heeft oog voor continuïteit in de begeleiding.
De medewerker kan nieuwe medewerkers inwerken en heeft oog voor medewerkers die vertrekken.
De medewerker kan de groepsdynamische processen binnen het team lezen.
De medewerker heeft oog voor de groepsdynamische processen binnen de rest van de organisatie.
De medewerker kan informatie verzamelen in functie van individuele begeleidingen.
De medewerker kan bewoners/cliënten stimuleren om zich zoveel mogelijk op de context te richten.
De medewerker kan participeren aan extramurale activiteiten.
De medewerker heeft een relevant netwerk.
De medewerker kan participeren aan externe projecten.
De medewerker is gevoelig voor veranderingen in de maatschappelijke context en vertaalt die naar de (leef)groep.